Vermogenswinstbelasting in Spanje

Published by

on

In het Spaans, Impuesto sobre Incremento de Patrimonio de la Venta de un Bien Inmeuble

  1. Hoe hoog is de belasting op de vermogensgroei bij de verkoop van een woning?
  2. Wat wordt beschouwd als “vermogenswinst” bij de verkoop van een woning?
  3. Waar en wanneer wordt deze belasting betaald?
  4. Hoe u stap voor stap de vermogenswinstbelasting berekent
  5. Tarieven voor vermogenswinstbelasting
  6. Belangrijkste verschillen tussen een hoofdverblijf en een tweede woning
  7. Verkoop van een tweede woning of beleggingspand
  8. Reductiecoëfficiënten: Wanneer zijn ze van toepassing?

1. Hoe hoog is de belasting op de vermogensgroei bij de verkoop van een woning?

Bij de verkoop van een woning in Spanje is een van de meest impactvolle kostenposten, en tevens een die de meeste vragen oproept, de belasting die aan de Spaanse belastingdienst (Hacienda) wordt betaald over de waardevermeerdering, officieel bekend als vermogenswinstbelasting in de inkomstenbelasting (IRPF). Dit is geen kleine of onbelangrijke uitgave, in veel transacties kan het oplopen tot tienduizenden euro’s als er niet vanaf het begin goed over nagedacht en gepland wordt.

Dit artikel legt, met juridische nauwkeurigheid en in heldere taal, uit wat vermogenswinstbelasting is, hoe deze wordt berekend, wanneer deze moet worden betaald, welke vrijstellingen er zijn en welke veelgemaakte fouten huiseigenaren maken bij de verkoop, of het nu hun hoofdverblijf, een tweede huis of een beleggingspand betreft. Het doel is huiseigenaren duidelijkheid, context en een weloverwogen oordeel te bieden voordat ze een beslissing nemen.

  • Inzicht in deze belasting stelt u in staat de werkelijke kosten van de verkoop te voorspellen.
  • Goede planning voorkomt onverwachte belastingverrassingen achteraf.
  • Kennis van vrijstellingen kan leiden tot aanzienlijke besparingen.

2. Wat wordt beschouwd als “vermogenswinst” bij de verkoop van een woning?

Vanuit fiscaal oogpunt beschouwt de Spaanse belastingdienst (Hacienda) een vermogenswinst als een reële toename van het nettovermogen van de belastingplichtige na de verkoop van een woning. Deze toename vindt plaats wanneer de overdrachtswaarde (de opbrengst van de verkoop) hoger is dan de aanschafwaarde (de oorspronkelijke aankoopprijs van de woning), na toepassing van alle correcties en aanpassingen die zijn vastgesteld in de inkomstenbelastingregels (IRPF). Dit positieve verschil vormt de vermogenswinst en is het bedrag dat belast moet worden onder de inkomstenbelasting (IRPF), binnen de grondslag voor de belasting op spaargeld.

Het is belangrijk te benadrukken dat de belastingdienst niet de volledige verkoopprijs belast, maar alleen de economische winst die door de transactie wordt gegenereerd. Dit onderscheid is essentieel, omdat veel huiseigenaren ten onrechte denken dat de belasting wordt berekend over de volledige verkoopprijs, terwijl in werkelijkheid alleen het gedeelte dat een reële toename van hun persoonlijke nettovermogen vertegenwoordigt, wordt belast. Het bepalen van deze reële winst vereist echter meer dan alleen het aftrekken van de verkoopprijs van de aankoopprijs.

Het berekenen van de vermogenswinstbelasting is technischer en veeleisender dan het lijkt, omdat de wet vereist dat er rekening wordt gehouden met verschillende aanvullende factoren.

Enerzijds staat de wet de aftrek toe van bepaalde kosten en belastingen die verband houden met zowel de aankoop als de verkoop van het onroerend goed.

Anderzijds vereist de wet het toepassen van tijdsgebonden criteria, het onderscheiden van verbeteringen en gewone ingrepen, en het analyseren of er bijzondere omstandigheden van toepassing zijn, zoals vrijstellingen, kortingen of overgangsregelingen.

Dit alles betekent dat twee verkopen met vergelijkbare prijzen zeer verschillende fiscale gevolgen kunnen hebben.

In de praktijk vereist een nauwkeurige bepaling van de vermogenswinstbelasting een analyse van de eigendomsakte, facturen, aankoop- en overdrachtsdata, evenals de feitelijke geschiedenis van het onroerend goed. Deze voorbereidende analyse maakt het mogelijk om de fiscale gevolgen van de verkoop te voorspellen en latere correcties door de belastingdienst te voorkomen.

3. Waar en wanneer wordt deze belasting betaald?

De vermogenswinst uit de verkoop van een woning wordt altijd aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting (IRPF) voor het jaar waarin de overdracht plaatsvond. Dit betekent dat de belasting niet wordt verrekend bij de notariële overdracht, maar pas in de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar volgend op de verkoop, wanneer de belastingplichtige zijn of haar belastingpositie bij de Belastingdienst regelt.

Een belangrijk aspect is dat deze winst wordt belast op basis van de belastinggrondslag voor spaarinkomsten, en niet op basis van de algemene IRPF-grondslag. Dit onderscheid heeft aanzienlijke praktische gevolgen, aangezien de belastinggrondslag voor spaarinkomsten eigen tarieven kent, die onafhankelijk zijn van de inkomensschijven of het arbeidsinkomen. Bijgevolg hangt de belastingdruk van de verkoop van een woning niet direct af van het inkomen van de belastingplichtige, maar van de hoogte van de behaalde vermogenswinst.

Als een woning bijvoorbeeld in 2025 wordt verkocht, moet de gerealiseerde vermogenswinst worden opgenomen in de belastingaangifte van 2026, ongeacht of het geld eerder of later in dat jaar is ontvangen. Op dat moment wordt de winst opgeteld bij andere spaarinkomsten en worden de bijbehorende belastingtarieven toegepast. Dit kan de uiteindelijke belastingaanslag aanzienlijk beïnvloeden, met als gevolg een belastingbetaling of een teruggave.

Veel huiseigenaren houden hier geen rekening mee en komen daardoor in het jaar na de verkoop met een aanzienlijk hogere belastingaanslag te zitten. Daarom is het essentieel om de potentiële vermogenswinst vooraf te berekenen en de fiscale gevolgen ervan te anticiperen, vooral wanneer de verkoop een aanzienlijke winst oplevert.

4. Hoe u stap voor stap de vermogenswinstbelasting berekent

4.1 Overdrachtswaarde (verkoopprijs)

De overdrachtswaarde is het daadwerkelijke bedrag waarvoor het onroerend goed wordt verkocht, oftewel de prijs die in de koopakte staat en die de verkoper daadwerkelijk ontvangt. Voor belastingdoeleinden kan deze waarde echter worden verlaagd door bepaalde kosten af ​​te trekken die direct verband houden met de verkoop, mits deze noodzakelijk zijn voor de voltooiing van de transactie en correct zijn gedocumenteerd met een factuur of ander geldig ontvangstbewijs.

Tot de meest voorkomende aftrekbare kosten die de overdrachtswaarde kunnen verlagen, behoren de kosten van het makelaarskantoor dat bij de transactie betrokken is, aangezien deze deel uitmaken van de essentiële kosten voor de voltooiing van de verkoop.

Notaris- en registratiekosten die uitsluitend voortvloeien uit de overdracht kunnen ook worden afgetrokken, evenals de kosten van het energieprestatiecertificaat, dat verplicht is voor de wettelijke verkoop van een onroerend goed.

Bovendien staan ​​de regels de aftrek toe van andere kosten die nodig zijn om de transactie te formaliseren, zoals bepaalde administratieve of technische procedures die vereist zijn voor de afronding van de verkoop.

Het belangrijkste is dat er een direct en duidelijk verband bestaat tussen de kosten en de overdracht van het onroerend goed. Hoe beter deze kosten gedocumenteerd zijn, hoe lager de overdrachtswaarde voor belastingdoeleinden zal zijn en, bijgevolg, hoe lager de resulterende vermogenswinst.

4.2 Aankoopwaarde (Koopprijs)

De aankoopwaarde is het bedrag dat de eigenaar voor de woning heeft betaald, maar net als bij de overdrachtswaarde is deze niet beperkt tot de prijs die in de koopakte staat vermeld. Alle kosten en belastingen die tijdens de aankoop zijn betaald, kunnen bij deze waarde worden opgeteld, mits ze direct verband houden met de aankoop van de woning.

De meest voorkomende kostenposten zijn overdrachtsbelasting (ITP) of btw, afhankelijk van het type transactie, evenals notaris- en registratiekosten die verband houden met de aankoop. Professionele kosten die op het moment van aankoop zijn betaald, zoals juridische of administratieve kosten, kunnen indien van toepassing ook worden meegenomen.

Een bijzonder relevant punt betreft investeringen en verbeteringen die in de loop der tijd aan het pand zijn aangebracht. De regelgeving staat toe dat de verwervingswaarde wordt verhoogd met acties die hebben geleid tot een daadwerkelijke verbetering van het pand, zoals aanbouwen, structurele renovaties, complete upgrades van installaties of acties die de waarde of levensduur ervan verhogen.

Gewone reparaties of routineonderhoud worden echter niet beschouwd als verbeteringen en kunnen daarom niet in de berekening worden meegenomen. Het correct onderscheiden van deze twee begrippen is essentieel om fouten te voorkomen.

4.3 Verschil tussen de twee waarden

De vermogenswinst wordt berekend als het verschil tussen de gecorrigeerde overdrachtswaarde en de gecorrigeerde verwervingswaarde. Dit bedrag vertegenwoordigt de werkelijke toename van het nettovermogen die de Belastingdienst beschouwt als onderworpen aan inkomstenbelasting (IRPF), en hierop worden de toepasselijke belastingtarieven voor spaarinkomsten toegepast.

Deze laatste stap is cruciaal, omdat onjuiste opname of uitsluiting van kosten de uiteindelijke uitkomst aanzienlijk kan beïnvloeden. In veel gevallen leidt een verkeerde interpretatie van welke posten aftrekbaar zijn tot een kunstmatig hogere vermogenswinst, waardoor de belastingdruk op de verkoop onnodig toeneemt.

Daarom is een grondige vooranalyse van beide waarden een van de belangrijkste fasen in elke verkooptransactie, vooral bij onroerend goed dat jarenlang is onderhouden of ingrijpende renovaties heeft ondergaan.

5. Tarieven voor vermogenswinstbelasting

Vermogenswinsten uit de verkoop van een woning worden belast als onderdeel van de inkomstenbelasting op spaargeld (IRPF), volgens een progressief belastingstelsel. Dit betekent dat de winst niet tegen één vast percentage wordt belast, maar verdeeld over verschillende schijven, waarbij elk deel van de winst cumulatief wordt belast tegen het corresponderende tarief.

De huidige belastingtarieven zijn als volgt:

  • Tot € 6.000: 19%
  • Van € 6.000 tot € 50.000: 21%
  • Van € 50.000 tot € 200.000: 23%
  • Van € 200.000 tot € 300.000: 27%
  • Meer dan € 300.000: 28%

In de praktijk betekent dit dat een grote vermogenswinst niet volledig tegen het hoogste tarief wordt belast, maar verdeeld over verschillende belastingschijven. Als een huiseigenaar bijvoorbeeld € 120.000 winst maakt, wordt een deel daarvan belast tegen 19%, een ander deel tegen 21% en het resterende deel tegen 23%. Dit systeem maakt de berekening nauwkeuriger, maar ook complexer dan veel huiseigenaren zich realiseren.

Het fiscale effect van deze progressieve schaal is vooral relevant bij transacties met hoge winsten, aangezien elke extra euro winst het effectieve belastingtarief verhoogt. Om die reden kunnen kleine afwijkingen in de berekening van de vermogenswinst, zoals de correcte inclusie van kosten of de toepassing van vrijstellingen, leiden tot zeer aanzienlijke verschillen in de uiteindelijke belastingaangifte.

Bovendien worden vermogenswinsten, omdat ze deel uitmaken van de spaargrondslag, opgeteld bij andere inkomsten uit dezelfde grondslag, zoals rente, dividenden of rendement op financiële producten. Dit kan ertoe leiden dat de belastingplichtige in een hogere belastingschijf terechtkomt, zelfs als zijn of haar werksituatie of salaris niet is veranderd.

6. Belangrijkste verschillen tussen een hoofdverblijf en een tweede woning

6.1 Verkoop van een hoofdverblijf

De inkomstenbelastingregels (IRPF) kennen aanzienlijke belastingvrijstellingen bij de verkoop van een hoofdverblijf, mits aan bepaalde wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Deze vrijstellingen kunnen betekenen dat de winst op de verkoop geheel of gedeeltelijk is vrijgesteld van belasting, wat in de praktijk een aanzienlijke belastingbesparing voor de verkoper kan opleveren.

Een woning wordt als hoofdverblijf beschouwd als deze ten minste drie jaar onafgebroken de woonplaats van de belastingplichtige is geweest, tenzij er omstandigheden zijn die een eerdere adreswijziging rechtvaardigen (huwelijk, scheiding, verhuizing vanwege werk, afhankelijkheid, enzovoort). Deze voorwaarde is essentieel, aangezien de vrijstellingen alleen van toepassing zijn wanneer de woning daadwerkelijk aan deze voorwaarde voldoet.

De belangrijkste situaties waarin vrijstellingen gelden bij de verkoop van een hoofdverblijf zijn de volgende:

6.2 Herinvestering van de opbrengst in een andere hoofdverblijfplaats

Wanneer de opbrengst van de verkoop van een hoofdverblijfplaats wordt geherinvesteerd in de aankoop van een nieuwe hoofdverblijfplaats, staat de inkomstenbelasting (IRPF) toe dat de vermogenswinst geheel of gedeeltelijk wordt vrijgesteld van belasting, afhankelijk van het daadwerkelijk herinvesteerde bedrag. Dit is een van de belangrijkste en meest gebruikte vrijstellingen bij de verkoop van een woning, maar ook een die de grootste precisie vereist bij de toepassing ervan.

De vrijstelling is volledig wanneer de belastingplichtige de volledige opbrengst van de verkoop herinvesteert, te weten de verkoopprijs minus eventuele kosten die verband houden met de verkoop. Bij gedeeltelijke herinvestering wordt de vrijstelling proportioneel toegepast, zodat alleen het deel van de winst dat overeenkomt met het herinvesteerde bedrag is vrijgesteld en de rest wordt belast volgens de tarieven voor spaarinkomstenbelasting.

De regelgeving stelt een maximale periode van twee jaar vast voor herinvestering, die zowel vóór als na de verkoop van de primaire woning kan worden berekend. Dit biedt enige flexibiliteit bij de planning, maar vereist ook een goede afstemming tussen de twee transacties. Bovendien moet de nieuwe woning daadwerkelijk de primaire woning van de belastingplichtige worden, wat betekent dat deze er gedurende de wettelijk vastgestelde termijnen ononderbroken moet wonen.

Een bijzonder belangrijk aspect is dat de herinvestering niet beperkt is tot de aankoop van de woning, maar ook bepaalde kosten kan omvatten die inherent zijn aan de verwerving, mits deze voldoen aan de regelgeving. Misbruik van de ontvangen gelden, het niet nakomen van termijnen of een fout in de classificatie van de nieuwe woning kan echter leiden tot het geheel of gedeeltelijk verlies van de vrijstelling, met de bijbehorende correctie door de belastingdienst.

Om deze reden moet herinvestering vanaf het begin van de verkoop als een gepland proces worden benaderd, waarbij bedragen, tijdschema’s en documentatie worden geanalyseerd. In de praktijk vinden veel belastingcorrecties plaats omdat de intentie tot herinvestering niet correct wordt uitgevoerd of omdat deze niet adequaat is aangegeven in de belastingaangifte.

6.3 Verkopers ouder dan 65

Personen ouder dan 65 die hun hoofdverblijf verkopen, profiteren van een van de duidelijkste en meest directe belastingvrijstellingen in de inkomstenbelastingwetgeving. In deze gevallen is de winst volledig vrijgesteld van belasting, ongeacht het ontvangen bedrag en zonder de verplichting om het geld opnieuw in een andere woning te investeren. Deze vrijstelling wordt automatisch toegepast, zolang aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

De bepalende factor is dat de belastingplichtige op het moment van de verkoop 65 jaar of ouder is en dat de verkochte woning daadwerkelijk als hoofdverblijf wordt beschouwd. Dit betekent dat de woning gedurende de wettelijk vereiste periode de woonplaats van de verkoper is geweest en dat er geen omstandigheden zijn die deze status ongeldig maken. Als aan beide voorwaarden is voldaan, is de vrijstelling volledig van toepassing, zonder dat aanvullende berekeningen of complexe planning nodig zijn.

Dit belastingvoordeel biedt veel huiseigenaren in deze leeftijdsgroep aanzienlijke fiscale gemoedsrust, omdat het hen in staat stelt hun vermogen te herstructureren, te verhuizen, de omvang of liquiditeit van hun bezittingen te verminderen, of zelfs te verkopen ter voorbereiding op een nieuwe levensfase, zonder dat de transactie een impact heeft op hun persoonlijke inkomstenbelasting (IRPF) vanwege de vermogenswinst. Vanuit praktisch oogpunt biedt deze vrijstelling zekerheid en voorspelbaarheid bij de transactie.

Het is echter belangrijk om te onthouden dat deze vrijstelling uitsluitend geldt voor de primaire woning. De verkoop van een tweede woning of ander onroerend goed door personen ouder dan 65 jaar blijft onderworpen aan belasting, tenzij andere specifieke wettelijke regelingen van toepassing zijn. Het is daarom essentieel om het type onroerend goed en het daadwerkelijke gebruik ervan correct vast te stellen voordat de verkoop wordt afgerond.

6.4 Personen in situaties van ernstige of volledige afhankelijkheid

De inkomstenbelastingregels (IRPF) voorzien ook in een vrijstelling van vermogenswinstbelasting wanneer de verkoop van een hoofdverblijfplaats plaatsvindt door personen in situaties van ernstige of volledige afhankelijkheid, conform de huidige wetgeving inzake zorg voor afhankelijken. Deze bepaling erkent uitdrukkelijk dat bepaalde persoonlijke omstandigheden een specifieke en beschermende fiscale behandeling vereisen.

In deze gevallen is de wet gebaseerd op de noodzaak om de aanpassing van de woonsituatie en de economische situatie van de belastingplichtige te vergemakkelijken, waardoor de overdracht van de hoofdverblijfplaats kan plaatsvinden zonder dat de vermogenswinst wordt belast onder de inkomstenbelasting. Het doel is te voorkomen dat een bijzonder kwetsbare situatie wordt verergerd door een extra belastingdruk tijdens een levensverandering.

Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling, moet aan twee fundamentele voorwaarden worden voldaan. Ten eerste moet het overgedragen onroerend goed worden beschouwd als de primaire woonplaats van de belastingplichtige, zoals gedefinieerd in de inkomstenbelastingregels (IRPF).

Ten tweede moet de status van ernstige of volledige afhankelijkheid naar behoren worden erkend en gecertificeerd door middel van een corresponderend administratief besluit van de bevoegde autoriteit.

Een formele certificering van afhankelijkheid is essentieel bij dit soort transacties. Zonder een dergelijke certificering kan de vrijstelling niet worden toegepast, ongeacht de feitelijke persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige. Het is daarom van bijzonder belang om de beschikbare documentatie vóór de verkoop te controleren en te verifiëren of de administratieve classificatie van afhankelijkheid correct is bijgewerkt op het moment van de overdracht.

Deze vrijstelling stelt veel mensen in staat hun woonsituatie te herorganiseren, toegang te krijgen tot aangepaste woningen of hun vermogen aan te passen aan nieuwe persoonlijke behoeften zonder fiscale sancties, wat zorgt voor zekerheid en consistentie in het belastingstelsel in bijzonder gevoelige situaties.

In al deze gevallen van vrijstelling vereist de correcte toepassing van de regelgeving een voorafgaande en gedetailleerde analyse van de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige, wettelijke termijnen en beschikbare documentatie. Het tijdig vaststellen van de geschiktheid maakt het verschil tussen een fiscaal geoptimaliseerde verkoop en onnodige belastingheffing die met een goede planning had kunnen worden vermeden.

7. Verkoop van een tweede woning of beleggingspand

Bij de verkoop van een tweede woning, een geërfd pand dat nooit als hoofdverblijf is beschouwd, of een beleggingspand, gelden er veel strengere belastingregels. In deze gevallen wordt de winst over het algemeen volledig belast, zonder automatische vrijstellingen die vergelijkbaar zijn met die voor hoofdverblijven. Dit betekent dat de volledige winst uit de verkoop wordt opgenomen in de belastinggrondslag voor spaarinkomsten en onderworpen is aan de bijbehorende belastingtarieven.

De enige mogelijke uitzonderingen voor dit type onroerend goed zijn zeer specifieke gevallen, meestal gerelateerd aan de datum van aankoop of aan specifieke overgangsregelingen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de toepassing van reductiecoëfficiënten voor onroerend goed dat vóór 31 december 1994 is verworven, of bij bepaalde zeer specifieke persoonlijke situaties die per geval moeten worden beoordeeld. Buiten deze scenario’s is de algemene regel duidelijk: de vermogenswinst wordt volledig belast.

Dit strengere belastingstelsel betekent dat de berekening van de vermogenswinst op een tweede woning nog nauwkeuriger moet zijn. Elke fout bij het bepalen van de aanschafwaarde, inclusief aftrekbare kosten, of bij het classificeren van bepaalde werkzaamheden als verbeteringen, kan de belastbare basis kunstmatig verhogen en daarmee het bedrag dat aan de belastingdienst moet worden betaald. Daarom is het bij dit soort verkopen extra belangrijk om de fiscale gevolgen te anticiperen vóór de afronding van de transactie.

Een van de meest voorkomende fouten is dat de eigenaar de fiscale behandeling van de woning verkeerd begrijpt en denkt dat hij vrijstellingen voor een hoofdverblijf kan toepassen op een woning die in werkelijkheid niet aan de wettelijke eisen voldoet om als zodanig te worden beschouwd. Dit soort verwarring wordt meestal pas ontdekt tijdens een latere controle door de belastingdienst en kan leiden tot correcties, rente en toeslagen.

8. Reductiecoëfficiënten: Wanneer zijn ze van toepassing?

Onroerend goed dat vóór 31 december 1994 is verworven, kan onder bepaalde omstandigheden in aanmerking komen voor reductiecoëfficiënten.

Dit is een overgangsregeling die een verlaging mogelijk maakt van het deel van de vermogenswinst dat wordt belast onder de inkomstenbelasting.

Dit mechanisme is ontstaan ​​uit de behoefte om het effect van de opgebouwde inflatie op onroerend goed dat enkele decennia geleden is verworven te corrigeren, om te voorkomen dat er belasting wordt geheven op waardestijgingen die niet overeenkomen met een reëel economisch voordeel in de huidige tijd.

De toepassing van reductiecoëfficiënten is noch automatisch, noch universeel. Het kan alleen worden toegepast op het deel van de vermogenswinst dat is gegenereerd tot een specifieke datum en alleen als strikt aan de wettelijke vereisten wordt voldaan. Bovendien wordt de verlaging progressief toegepast op basis van de tijd die is verstreken tussen de verwerving van het onroerend goed en 31 december 1996, wat een nauwkeurige technische berekening vereist.

Sinds 2015 is deze belastingregeling onderworpen aan een maximale kwantitatieve limiet. Dit betekent dat de reductiecoëfficiënten alleen kunnen worden toegepast tot de totale geaccumuleerde overdrachtswaarde van de activa waarop deze regeling van toepassing is, € 400.000 bedraagt. Zodra deze limiet wordt overschreden, wordt het corresponderende deel van de winst uitgesloten van de reductie, zelfs als het onroerend goed voldoet aan de verwervingstermijn.

Dit alles maakt de toepassing van de reductiecoëfficiënten een van de meest complexe en vaak verkeerd geïnterpreteerde aspecten van de belastingheffing bij de verkoop van een woning. Het is niet voldoende dat het onroerend goed oud is; het is essentieel om de exacte verwervingsdatum, de overdrachtswaarde, of de belastingplichtige deze regeling eerder op andere verkopen heeft toegepast en hoe de winst over verschillende tijdsperioden is verdeeld, te analyseren.

Een fout in deze berekening kan ertoe leiden dat de belastingplichtige ten onrechte een reductie toepast waar hij geen recht op heeft, met het risico van een correctie door de belastingdienst, of juist een belastingvoordeel misloopt waar hij wel recht op zou kunnen hebben.

Plaats een reactie